Tachtigjarige Oorlog
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
| Geschiedenis van Nederland |
| Leidens ontzet door Otto van Veen |
|
..Naar chronologie
|
|
..Naar onderwerp
|
|
..Naar overzeese gebiedsdelen
|
|
..Naar voormalige koloniën
|
De Tachtigjarige Oorlog (in de modernere geschiedschrijving ook wel De Opstand of de Nederlandse Opstand genoemd) is de naam voor een opstand en strijd in de Nederlanden (1568[1]-1648, met het Twaalfjarig Bestand in de jaren 1609-1621).
Deze oorlog begon als opstand van een van de rijkste gebieden van Europa tegen het machtigste rijk in Europa, het Spaanse Rijk onder Filips II. Aanvankelijk trokken de uit zeventien gewesten bestaande Lage Landen min of meer gezamenlijk op, om een combinatie van religieuze, bestuursrechtelijke en fiscale redenen.
Na 1576 groeiden de noordelijke en zuidelijke Nederlanden echter steeds meer uit elkaar, vooral omdat de protestantse reformatie in het noorden dieper wortel had geschoten en het machtscentrum van de Habsburgse bestuurders in de Lage Landen in Brussel lag. Tijdens de oorlog ontstond in 1581 de noordelijke Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waar het calvinisme de toon aangaf. In 1585 bezegelde de val van Antwerpen de scheiding van noord en zuid. Een hechte eenheid was er overigens nooit geweest. De Zuidelijke Nederlanden bleven onder het bewind van een landvoogd die door de koning van Spanje benoemd werd. Het katholicisme bleef daar de enige toegestane godsdienst.
De eerste twintig jaar van de oorlog was de situatie voor de opstandelingen vrijwel steeds somber of wanhopig, maar rond 1590 keerde het tij van de oorlog definitief ten gunste van de Republiek. De imperial overstretch van het Spaanse Rijk, de bekwame militaire leiding van prins Maurits en de maritieme expansie van de Nederlanden, veelal ten koste van het Spaanse koloniale rijk, maakten de uiteindelijke triomf mogelijk van de Republiek, die zich ontwikkelde tot een wereldmacht. De 17e eeuw wordt beschouwd als de Gouden Eeuw voor de Republiek op economisch, wetenschappelijk en cultureel gebied. Voor de calvinisten was het ook de tijd waarin hun politieke invloed groter dan ooit ervoor of erna was en de nauwe band met het Huis van Oranje ontstond.
Inhoud
|
[bewerk] Aanloop
[bewerk] Particularisme
In de 16e eeuw waren de Nederlanden onderdeel van de Bourgondisch Habsburgse staat. In de Bourgondische tijd had de centralisatiepolitiek al weerstand ondervonden door het stedelijk particularisme. Dit had vooral in Vlaanderen geleid tot opstanden, zoals de Vlaamse Opstand tegen Maximiliaan van 1482 tot 1492. De vader van Maximiliaan, keizer Frederik III van het Heilige Roomse Rijk, stuurde Duitse troepen naar Gent en Brugge, maar hierdoor sloten Brabant en de Hoeken zich aan bij de Vlamingen. Jan III van Egmont dwong echter in juni 1489 Rotterdam tot overgave en in juli 1492 gaf Gent zich over aan Albrecht III van Saksen. Het Sticht Utrecht (ruwweg de huidige provincies Utrecht en Overijssel omvattend) onderwierp zich in 1528 en Groningen en Drenthe in 1536 aan Karel V van het Heilige Roomse Rijk terwille van bescherming tegen invallen van de hertog van Gelre. Ten slotte wist Karel V na afloop van de Gelderse oorlogen in 1543 ook Gelre onderdeel te maken van de Habsburgse Nederlanden. Ondanks de tegenstribbelingen leek het tot een geheel smeden van de Nederlanden succes te hebben en in 1548 werd de sinds 1512 bestaande Bourgondische Kreits omgevormd tot de Zeventien Provinciën.
Naast landsheer - vanaf 1549 Heer der Nederlanden - van de Zeventien Provinciën was Karel V echter ook keizer van het Heilige Roomse Rijk. In die hoedanigheid kwam hij door zijn expansiepolitiek in conflict met Frans I van Frankrijk. Deze Italiaanse Oorlogen zorgden voor een toenemende belastingdruk op de rijke Nederlanden, vooral Vlaanderen. In de periode 1552 - 1556 steeg de rente in Antwerpen hierdoor bijvoorbeeld tot 48,8%, wat de economie van de Nederlanden ondermijnde. Door deze druk van het imperium kwam Gent daarvoor al in opstand, maar in 1540 wist Karel V de Gentse Opstand neer te slaan, waarna de privileges van de stad ontnomen werden, wat voor de andere steden een voldoende waarschuwing was.
De Italiaanse Oorlogen werden ook uitgevochten op het grondgebied van de Nederlanden. De Gelderse Oorlogen werden mede hierdoor gevoerd met steun van de Fransen. Dit zorgde er voor dat de Hollandse schepen constant gekonvooieerd moesten worden door de samenwerking tussen Karel van Gelre en de Fries Grote Pier. Deze methode van kaapvaart werd later voortgezet door de watergeuzen. Er volgden hierdoor echter ook directe oorlogen met Frankrijk. In de periode 1521 - 1525 vond de eerste oorlog met Frankrijk plaats, de zesde oorlog vond plaats tussen 1557 en 1559, gevolgd door het Verdrag van Cateau-Cambrésis.
Rond 1525 werd Holland ook meegesleept in de Deense Successieoorlogen door de steun die Karel V gaf aan zijn neef Christiaan II.
[bewerk] Religie
Aan het eind van de 14e eeuw kwam de Moderne Devotie op. Dit was een spirituele beweging binnen de middeleeuwse kerk die de nadruk legde op de innerlijke ontwikkeling van het individu. De beweging ontstond door ontevredenheid over de misstanden in de kerk. De Moderne Devotie zorgde voor een verandering in denken. Dit creëerde een voedingsbodem voor het bijbels humanisme - in navolging van de humanisten uit Italië - en de Reformatie. Als reactie op de Reformatie ontstond de Contrareformatie.
Het gedachtegoed van de Reformatie verspreidde zich aanvankelijk eerst door de meest verstedelijkte delen van de Nederlanden, waaronder Doornik en Valencijn, vanwaar het zich al snel verspreidde naar Antwerpen. In 1521 werd Luther in de kerkelijke ban gedaan, waarna hij na de Rijksdag van Worms in de rijksban gedaan werd. In 1523 vonden de eerste verbrandingen in de Nederlanden plaats toen de augustijner monniken, Jan van Essen en Hendrik Voes, op de Grote Markt van Brussel terecht werden gesteld. Zij hadden in Antwerpen het woord van Luther verspreid.
Ook in Duitsland vonden naar aanleiding van de Reformatie schermutselingen plaats. Dit leidde zelfs tot de oprichting van het Schmalkaldisch Verbond in 1531, waarin Duitse protestantse vorsten ijverden voor de erkenning van de nieuwe Duitse godsdienst, het lutheranisme. Hoewel dit aanvankelijk succesvol leek, wist de keizer in 1541 landgraaf Filips I van Hessen voor zich te winnen en later ook hertog Maurits van Saksen. Omdat de Schmalkaldische Bond nu verlamd was, besloot de keizer het religievraagstuk met geweld op te lossen en voerde in 1546 en 1547, verbonden met de paus, Beieren en enkele protestantse vorsten de Schmalkaldische Oorlog, die de bond verloor. Evenwel werd in 1555 de Godsdienstvrede van Augsburg getekend, die uitging van het principe cuius regio, eius religio (van wie het land is, is ook de godsdienst). Dit hield in dat iedere rijksvorst besliste welke godsdienst in zijn gebied opgelegd werd en dat hij daarom ook de kerkgoederen mocht beheren. De godsdienstvrede maakte definitief en officieel een einde aan de geloofseenheid in het Heilige Roomse Rijk, waarvan feitelijk al enige tijd geen sprake meer was.
Hoewel de oorlog en de daaropvolgende vrede niet direct te maken hadden met de Nederlanden, werd hierdoor wel heel duidelijk dat het mogelijk was af te wijken van het rooms-katholieke geloof.
In 1550 vaardigde keizer Karel in de Nederlanden het Bloedplakkaat uit. Hiermee werd het drukken, schrijven, verspreiden en bezitten van ketterse boeken en afbeeldingen, het bijwonen van ketterse bijeenkomsten, het prediken van een tegendraadse religie en het huisvesten van ketters, met de doodstraf en inbeslagname van alle goederen beantwoord. Een derde van de vervolgden waren anabaptisten. Omdat ze zo sterk aan hun geloof vasthielden, wachtte hun de brandstapel.
De lokale machthebbers, zoals de adel en de stadsbesturen, bleven weliswaar overwegend katholiek, maar stonden een veel gematigder beleid voor om ongeregeldheden met de grote protestantse minderheid te voorkomen. Vooral in de gewesten die ver van Brussel, sinds 1531 het regeringscentrum, gelegen waren, werd de anti-ketterijwetgeving vrijwel niet uitgevoerd. Dit was bijvoorbeeld het geval in Friesland, waar na 1559 de wetgeving zelfs helemaal niet meer werd toegepast. In Groningen werd het Bloedplakkaat van 1550 niet eens afgekondigd. Maar ook in Amsterdam werd tussen 1553 en 1567 geen enkel doodvonnis uitgevoerd. In Vlaanderen echter wist de inquisiteur Pieter Titelmans vele ketters op te pakken om deze tot de doodstraf te laten veroordelen.
In 1559 vaardigde paus Paulus IV de Super universas uit waarin een nieuwe bisschoppelijke indeling van de Nederlanden werd beschreven. Dit was een bijzonder impopulair plan, omdat men verwachtte dat hiermee ook de al bekende inquisitie vervangen zou worden door de Spaanse Inquisitie. Hierover deden gruwelijke verhalen de ronde, die niet noodzakelijk waren gebaseerd op de realiteit - de zogenaamde zwarte legende - maar waarvan de geuzen wel profiteerden.
[bewerk] Constitutioneel probleem
De religieuze tegenstellingen legden het constitutionele probleem bloot; had de koning absolute macht, of moest hij samenwerken met de hoge adel en de Staten-Generaal. De stadhouders en de hoge adel hadden onder Karel V en zijn zuster, landvoogdes Maria van Hongarije, veel van hun macht moeten inleveren ten bate van ambtelijke juristen. Na het aantreden van Margaretha van Parma als landvoogdes richtte de hoge adel, Oranje, Egmont en Horne, zich vooral tegen haar adviseur Granvelle. Op 23 juli 1561 schreven Oranje en Egmont hun eerste protestbrief aan Filips. Nadat er een jaar later geen verandering was opgetreden, sloten zij zich aaneen in de Liga tegen Granvelle. In 1563 sloot Horne zich aan bij de tweede protestbrief. In 1564 wisten ze Granvelle weg te werken, waarna hun invloed op de landvoogdes toenam. Hierna konden zij zich weer meer richten op de godsdienstkwesties.
[bewerk] Economie
Economisch waren er in die tijd grote problemen. De Spaanse staatsschuld was opgelopen van twee miljoen gulden in 1544 tot zeven miljoen in 1556. In 1557 schortte Filips II de rentebetalingen op. Dit was een van de eerste van een serie Spaanse staatsbankroeten en had als gevolg dat de Zuid-Duitse bankiers en Antwerpse kleine spaarders geruïneerd waren.
Vlaanderen en Artesië waren in deze tijd sterk geïndustrialiseerd, waarbij de lakennijverheid domineerde. Deze was sterk afhankelijk van de wolimport uit Engeland en blokkade hiervan zorgde direct voor een grote werkloosheid onder handelaren en ambachtslieden. In de eeuwen daarvoor had dit al geregeld voor opstanden gezorgd en ook nu was er weer een handelsoorlog met Engeland, waardoor de Engelse wolstapel in 1563 uit Antwerpen was gehaald. Daarnaast viel door de zware winter in 1564 de oogst in Frankrijk en de Nederlanden tegen. Door de Zevenjarige Oorlog tussen Denemarken en Zweden werd eind april 1565 de Sont ook nog eens gesloten. Hoewel deze na twee maanden weer geopend werd onder druk van Polen - die op dat moment bondgenoot van Denemarken was en de handel op Danzig verstoord zag - zorgde de mede door speculaties gestegen graanprijs voor een hongersnood. Deze combinatie van economische malaise, particularisme en religieuze onderdrukking zorgde voor grote onlusten.
[bewerk] Machtsoverdracht
Met de Transactie van Augsburg van 1548 had Karel V de uitbreiding van zijn bezittingen in de Nederlanden bezegeld door de erkenning van de Zeventien Provinciën als Bourgondische Kreits binnen het Heilige Roomse Rijk. In 1549 had hij met de Pragmatieke Sanctie bepaald dat de Zeventien Provinciën steeds als één geheel overerfd moesten worden. In 1555 droeg Karel de regering van de Nederlanden over aan zijn zoon Filips II. De meeste vorsten bleven aan tot hun dood en mogelijk voorzag hij de oppositie tegen de onbekende Filips. Karel leunde bij deze plechtigheid op de schouder van Willem van Oranje.
Was het onder het gezag van Karel alleen in 1554 in Antwerpen tot onlusten gekomen, onder zijn zoon zou een einde komen aan de opgebouwde eenheid.
[bewerk] Start van de opstand
[bewerk] Wonderjaar of hongerjaar
[bewerk] Smeekschrift der edelen
Nadat Filips II de onverkorte tenuitvoerlegging van de ketterplakkaten beval aan Margaretha in de brieven uit het bos van Segovia, verbond de lagere adel zich in 1565 in het Eedverbond der Edelen. Deze edelen boden in 1566 - het wonderjaar of hongerjaar - op 5 april de landvoogdes een smeekschrift aan om tot verzachting van de vervolgingen te komen. Bij die gelegenheid zou Karel van Berlaymont tegen Margaretha N'ayez pas peur Madame, ce ne sont que des gueux (Wees niet bang mevrouw, het zijn slechts bedelaars) gezegd hebben, waarna de edelen dit overnamen als erenaam en geuzenpenningen en bedelnappen gingen dragen. De baron van Montigny, die in 1562 al als woordvoerder naar Spanje was afgereisd, bracht de boodschap, nu met de markies van Bergen op Zoom, naar de koning. Beiden overleden daar in gevangenschap, Montigny zeer waarschijnlijk door wurging.
Gedurende de tijd die nodig was om met Filips in Spanje te communiceren over het smeekschrift, schortte Margaretha van Parma de vervolgingen tijdelijk op, wat door de lokale bestuurders ruimer werd geïnterpreteerd dan zij bedoeld had. Naar aanleiding hiervan keerden gevluchte protestanten terug, waarna zij tussen mei en augustus begonnen met hagenpreken. Vanaf 10 augustus tot oktober vond de Beeldenstorm plaats, waarbij protestanten de katholieke kerken binnendrongen en de beelden en afbeeldingen van rooms-katholieke heiligen vernietigden. Op 20 augustus bereikte deze Antwerpen en twee dagen later Mechelen. De schutterijen in veel steden weigerden op de eigen burgers te schieten, wat zorgde voor een machtsprobleem voor de stadsbesturen, waarna Margaretha op 23 augustus de calvinistische erediensten weer toestond nadat het Eedverbond der Edelen had toegezegd zichzelf op te heffen. Egmont wist in zijn Vlaanderen de rust te herstellen, net als Oranje in Antwerpen. Op 3 oktober bespraken Oranje, Lodewijk van Nassau, Egmont en Horne in Dendermonde of zij de wapens op zouden nemen tegen de landvoogdes, maar Egmont weigerde zover te gaan, waarop Oranje afzag van verdere actie. Hendrik van Brederode wilde wel zover gaan en versterkte zijn bolwerk Vianen, terwijl de calvinistische bolwerken Doornik en Valencijn - waar veel Hugenoten naar waren gevlucht vanwege de Hugenotenoorlogen in Frankrijk - hun poorten sloten voor de regeringstroepen.
[bewerk] Eerste vijandelijkheden
Op 27 december 1566 werden Vlaamse calvinisten en geuzen uitgemoord in Wattrelos. In januari 1567 werd Doornik door regeringstroepen belegerd en veroverd. Oranje, Horne en Brederode weigerden de eed van trouw af te leggen die Margaretha van alle Nederlandse edelen eiste. Op 13 maart verloren de geuzen onder leiding van Jan van Marnix de Slag bij Oosterweel, waarbij Willem van Oranje, die toen nog gouverneur van Antwerpen was als, verbood hulp te bieden aan de geuzen en de stadspoorten sloot. Burgemeester Antoon Van Stralen wist een dag later de oproer in Antwerpen te bedaren. Op 24 maart viel Valencijn en leek de opstand voorbij. Op 15 april vertrok Willem van Oranje uit Breda naar zijn geboorteplaats, het Duitse Dillenburg, vanwaar hij later zelfs Alva zijn diensten aanbood.
[bewerk] Alva
Filips II besloot dat de harde lijn gevolgd moest worden - ook om te voorkomen dat het voorbeeld gevolgd zou worden in de Spaanse gebieden in Italië - en op 29 november 1566 stelde hij de hertog van Alva aan als landvoogd van de Nederlanden om de opstand te beteugelen. De bijnaam van Alva was de ijzeren hertog; een naam die hij eer aandeed gezien zijn brute optreden.
[bewerk] Alva's eerste optreden
Toen Alva in augustus 1567 in Brussel aankwam, was er door de tolerante politiek een goede kans dat de opstand zou bedaren. In plaats van de opstand te onderdrukken, was de legering van tienduizend vreemde troepen in de Vlaamse en Brabantse steden door Alva dan ook eerder een provocatie. Hij voerde meteen de drie opdrachten van Filips uit, namelijk de opstandelingen straffen, ervoor zorgen dat alleen het katholieke geloof in de Nederlanden beleden zou worden en centralisatie van het bestuur invoeren. In de praktijk kwam dit neer op een bestraffing van de Beeldenstormers, het instellen van nieuwe bisschoppen in bepaalde bisdommen en het doorvoeren van de besluiten van het Concilie van Trente.
Hij nodigde de edelen van de opstandige gebieden uit voor een gesprek. De meeste edelen doorzagen dat het een list was. Op 9 september werd de op de vlucht geslagen Antoon Van Stralen opgepakt en later ter dood veroordeeld. Een dag later werden Egmont en Horne gevangen genomen toen zij als weinigen wel op kwamen dagen bij Alva. Later werden beiden op beschuldiging van hoogverraad door de Raad van Beroerten ter dood veroordeeld. Nadat op 1 juni de eerste achttien edelen werden onthoofd op de Grote Markt van Brussel, volgden Horne en Egmont op 5 juni 1568, wat tot grote onrust onder de bevolking leidde.
[bewerk] Oranje waagt een inval
In 1568 probeerde Willem van Oranje, stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht, Alva te verdrijven uit Brussel. Het ging hier nadrukkelijk om een opstand tegen Alva en niet tegen de koning. Het vers uit het Wilhelmus, dat omstreeks deze tijd geschreven werd, herinnert hieraan: De koning van Hispanje heb ik altijd geëerd. Oranje en zijn bondgenoten deden dat jaar drie verschillende invallen. In april werd de Slag bij Dalheim door Joost de Soete verloren. Maar de Slag bij Heiligerlee op 23 mei 1568 was de eerste overwinning van de troepen van Willem van Oranje (aangevoerd door Lodewijk van Nassau) op die van Alva.
Er was echter nog weinig steun voor Oranje; geen enkele stad verkoos zich aan te sluiten bij de opstand. Bovendien liet Alva op 5 juni de edelen Egmont en Horne onthoofden om het volk schrik aan te jagen, waarna hij naar het noorden trok en Lodewijk van Nassau versloeg in de Slag bij Jemmingen. Na deze nieuwe nederlaag deed Willem van Oranje in oktober zelf nog een inval, maar faalde om slag te leveren met Alva op het Lanakerveld, en bij Geldenaken werd Oranje uiteindelijk verpletterend verslagen. Dit beëindigde voorlopig zijn pogingen om de Nederlanden te bevrijden, terwijl Alva de orde herstelde.
[bewerk] Alva's maatregelen en de Geuzenplunderingen
Behalve de Raad van Beroerten voerde Alva ook een zware belasting in: de Tiende Penning. Dit leidde tot bijkomend ongenoegen. De Watergeuzen, op dat moment een stel zeerovers met een kaperbrief van Willem van Oranje, profiteerden hiervan. Bij gebrek aan een eigen marine zag Willem in de Geuzen een nieuwe mogelijkheid de troepen van Alva te verslaan en verleende hun het recht zijn oranje-wit-blauwe vlag te voeren. Kaperij was in die tijd een gebruikelijke aanvulling van de maritieme macht van veel vorsten.
De watergeuzen zorgden voor de bevoorrading van de troepen tijdens de Slag bij Heiligerlee en kaapten Hollandse schepen. Daarop gaven Alva en Bossu opdracht om schepen uit te rusten om tegen de geuzen op te trekken. Tijdens de eerste zeeslag van de opstand die volgde, behaalde de sterkere geuzenvloot een overwinning op het Hollandse eskader van viceadmiraal Francois van Boshuizen in de Zeeslag op de Eems. Aangezien de commandant van de watergeuzen, Louis de Bergues, broer van Dolhain, tegen de afspraken in neutrale schepen bleef overvallen, benoemde Willem van Oranje in augustus 1570 Lumbres uit Artesië als admiraal, de eerste van de gehele geuzenvloot. Lumbres had contacten met Elizabeth I van Engeland. De geuzen mochten ook gebruik maken van Engelse havens. Lumbres was geen zeeman, maar moest met zijn diplomatieke gaven van de geuzen een eenheid maken. Ondanks plannen voor een grootscheepse aanval kwam men niet verder dan de verovering van Texel onder leiding van Lancelot van Brederode, broer van Hendrik van Brederode.
In het voorjaar van 1571 plunderden de geuzen Monnickendam, Schellingwoude en omgeving. Als reactie hierop werd een deel van de Spaanse soldaten in Utrecht naar Holland overgebracht en op 21 mei liet Alva elf schepen uitvaren onder Boshuizen, die een maand later de geuzen versloeg bij Emden. De hoofdmacht van de geuzen in het Kanaal ontvluchtte Boshuizen naar Dover.
Voor de tweede keer waren er plannen voor een grote aanval met behulp van Karel IX van Frankrijk, de Hugenoten en Elizabeth I, waar echter niets van kwam, doordat veel kapiteins meer voordeel zagen in de kaapvaart. Lumbres trok zich daarom terug en werd opgevolgd door Willem van der Marck, bekend als Lumey.
[bewerk] De Geuzenopstand en Oranje's tweede invasie
Ondertussen wilde Elizabeth de relaties met Spanje verbeteren en verdreef de geuzen uit de Engelse havens. Een van de gevolgen was de verovering van het stadje Den Briel op 1 april 1572, door de watergeuzen onder aanvoering van Lumey en Bloys van Treslong door de Noordpoort. Het wordt wel gezien als het begin van de opstand in de Nederlanden, maar voor Alva was het verlies van Vlissingen op 6 april schokkender. Op 14 april deed Willem van Oranje een oproep aan de inwoners van de Nederlanden om in verzet te komen tegen het bestuur van de hertog van Alva.[2] Hij had intussen zijn broer Lodewijk aangesteld tot leider van de geuzen. De bedoeling was dat de geuzen enkele steden innamen en dat tezelfdertijd een nieuw invasieleger de Nederlanden binnenviel. Eind mei 1572 vielen de steden Valencijn en Bergen in Henegouwen in handen van de Geuzen. Een maand later, juni 1572, sloot Enkhuizen zich aan bij de opstandelingen. Later volgden de meeste steden in Holland en Zeeland. Middelburg, Goes en Amsterdam bleven trouw aan Alva. Brugge werd door de Geuzen wel aangevallen, maar ze slaagden er niet in de Vlaamse stad te veroveren. Bovendien zorgde de Bartholomeüsnacht op 24 augustus te Parijs dat men voorlopig niet meer op Franse steun hoefde te rekenen.
Doordat Den Briel, Vlissingen en Enkhuizen zich bij de opstand hadden aangesloten, hadden de rebellen de controle over de handelsroutes. Een ander gevolg was dat de watergeuzen niet meer hoefden rond te zwerven. Daarentegen vielen ze nu onder de magistraten van deze steden, die zorgden voor de financiering van de opstand. Op de eerste vrije vergadering van de Staten van Holland - waarop Willem van Oranje werd bevestigd als stadhouder - werd besloten alle commissiebrieven in te trekken. Ook probeerde men zich te ontdoen van de ongedisciplineerde elementen die de opstand schade berokkenden door hun gedrag. Op grote schaal werden namelijk katholieke burgers en geestelijken vermoord en kloosters geplunderd, dit alles tot woede van Willem van Oranje. Uiteindelijk liet hij Lumey ontslaan voor zijn aandeel in de moord op de Martelaren van Gorcum. Een gevolg van de terreur was dat er van een volksopstand al snel geen sprake meer was en katholieken steeds meer terugkeerden naar het Spaansgezinde kamp. Dit alles zorgde ervoor dat in 1573 de watergeuzen niet meer als één groep bestonden.
In een vergadering van de Staten van Holland werd nogmaals bevestigd dat Willem van Oranje stadhouder van de koning was. Nog altijd was de opstand alleen gericht tegen Alva en niet tegen het koninklijke gezag. Een zwager van Willem van Oranje veroverde ondertussen grote delen van Gelderland en Overijssel, waaronder Zutphen en Kampen. Ook Friesland schaarde zich geheel achter Oranje. Later dat jaar volgde nog de inname van steden als Mechelen, Dendermonde en Leuven.
[bewerk] Alva’s vertrek
Door Alva werd het verzet getypeerd als een opstand, niet als een oorlog. In 1572 berichtte Lodewijk van Nassau aan zijn broer Willem dat de hertog van Alva zeer verbaasd is ... dat de steden zo in opstand komen (les villes se revoltent ainsi). In brieven, kronieken en dagboeken uit die tijd wordt gesproken over verzet, verlatinghe, afzwering van de landsheer, enz.
Na de zes jaar durende harde lijn van Alva, bleek deze averechts gewerkt te hebben. De opstand was niet neergeslagen, maar de repressie had wel gezorgd voor een groeiende onvrede onder aanvankelijk nog gematigde onderdanen. In 1573 werd Alva dan ook teruggehaald naar Spanje. Hij werd op 17 oktober opgevolgd door de gematigder Requesens.
[bewerk] Externe invloed
Niet alleen de situatie in de Nederlanden was van belang. Spanje stond ook in het Middellandse Zeegebied onder druk. Een oude vriend van Willem van Oranje uit Antwerpen, de jood Josef Nasi, was adviseur geworden van de sultan in Istanbul.[3] Toen in 1566 de Beeldenstorm Antwerpen bereikte, stuurde Süleyman I in oktober een brief aan de vergadering te Antwerpen, waarin hij de opstandelingen financiële en militaire hulp aanbood. Kort daarna stierf hij. De Turkse vlaggen van de Watergeuzen en hun geuzenpenningen met de tekst 'Liever Turks dan Paaps', die zij ook vanaf het jaar 1566 droegen met een Turkse halve maan, wijzen naar het verbond. In 1568 stuurde Willem van Oranje een delegatie naar de nieuwe sultan, Selim II, om de samenwerking voort te zetten. De Turken hadden op dat moment echter al hun krachten nodig tegen Ivan de Verschrikkelijke in de Russisch-Turkse Oorlog die duurde tot 1570. In dat jaar wist Nasi met de hulp van Lala Kara Mustafa Pasha Selim te bewegen Cyprus te veroveren, tegen de wil van grootvizier Mehmet Sokollu in, de machtigste man aan het hof. In 1573 vertrokken de Venetianen van Cyprus, ondanks de nederlaag in de slag bij Lepanto tegen de Heilige Liga bestaand uit Spanje, Venetië, de Kerkelijke Staat, Genua, Savoye en de Maltezer Orde. In 1574 heroverden de Ottomanen Tunis op de Spanjaarden. De Ottomaanse druk verhinderde Spanje om zich volledig te richten op het neerslaan van de opstand in de Nederlanden.
[bewerk] Mookerheide, Leidens ontzet, vredesoverleg
Vrijwel direct na hun nederlaag bij Alkmaar omsingelden de Spanjaarden Leiden. Tijdens dat beleg veroverden de legers van de prins Middelburg (9 februari 1574). Ook werd wederom een vlootoverwinning op de Spanjaarden behaald, ditmaal op de Oosterschelde (zie Slag bij Vlissingen). De legers van de prins konden echter niets doen om Leiden te ontzetten. Lodewijk van Nassau probeerde met financiële steun van zijn broer Jan en de Fransen een Duits invasieleger op de been te brengen. Het Spaanse leger rondom Leiden gaf tijdelijk de omsingeling op, om het nieuwe leger tegen te houden. Op 14 april 1574 vond op de Mookerheide een slag plaats tussen het leger van Lodewijk van Nassau en het Spaanse leger. Lodewijk van Nassau en zijn broer Hendrik van Nassau sneuvelden.
De verslagenheid over de nederlaag op de Mookerheide en het sneuvelen van twee van Willems broers was groot. De Spanjaarden hervatten het beleg van Leiden. De Leidenaren weigerden zich over te geven, waarna opnieuw besloten werd de dijken door te steken. Na twee maanden, op 3 oktober 1574 stond het water rondom Leiden zo hoog dat de Spanjaarden hun beleg moesten opgeven. De Geuzen werden op platte schuiten over het ondergelopen land als overwinnaars binnengehaald, daarbij haring en wittebrood uitdelend aan de uitgehongerde bevolking. Tot op de dag van vandaag wordt het